|
|
| titulo: |
Curso Superior Holandés Nivel Básico (Nivel Oficial Consejo Europeo A1-A2) (4856) |
| Centro de formación: |
Inesem |
| tipo de curso: |
Curso |
| Categoría: |
|
| Metodología: |
A distancia |
| provincia: |
- |
| precio: |
Gratis |
| convocatorias: |
Consultar al centro |
| Descripción: |
Comprender y utilizar expresiones cotidianas de uso muy frecuente así como frases sencillas destinadas a satisfacer necesidades de tipo inmediato. Presentarse a sí mismo y a otros, pedir y dar información personal básica sobre su domicilio, sus pertenencias y las personas que conoce. Relacionarse de forma elemental siempre que su interlocutor hable despacio y con claridad y esté dispuesto a cooperar. |
| a quien va dirigido: |
Profesionales, estudiantes, desempleados o cualquier persona interesada en formarse en el aprendizaje del holandes, el cual lo hablan más de 5 millones de personas en el mundo. |
| requisitos: |
1.1.Fotocopia del DNI.
2.2. Fotocopia de la cabecera de la última nómina.
3.3. Documentación de Matrícula INESEM
Cursos subvencionados dirigidos a trabajadores de empresas contratados en el régimen general (no válidos para autónomos y funcionarios)
|
| Lugar de impartición: |
|
| horarios: |
|
| Duración: |
180 horas |
| descuentos: |
Sin descuento |
| becas: |
No |
| ¿Prácticas en empresas? |
No |
| salidas profesionales: |
"Obtendrás el título oficial del consejo europeo: A1-A2.
Permite adquirir las bases de vocabulario y de gramática y abordar el idioma en contexto con textos y diálogos.
Se privilegia un enfoque comunicativo, cuyo objetivo es enseñar al alumno a comunicarse en otro idioma y a entender y producir ""sentido"".
Los textos y los diálogos facilitan al alumno la inmersión en el idioma y sirven de soporte para el aprendizaje de las estructuras y del léxico de base, esenciales para poner en práctica el idioma." |
| programa del curso: |
MÓDULO 1. LECCIONES DEL CURSO.TEMA 1. MI FAMILIA.TEMA 2. DESCRIBIRSE.TEMA 3. CONTAR Y JUGAR.TEMA 4. DÍAS Y MESES.TEMA 5. COSAS Y ANIMALES.TEMA 6. JOVEN, VIEJO, CALIENTE, FRÍO.TEMA 7. EN HOLANDA.TEMA 8. FIESTA DE BIENVENIDA.TEMA 9. EN AMSTERDAM.TEMA 10. LA RUTA..TEMA 11. DESAYUNO.TEMA 12. CAFÉ O TÉ.MÓDULO 2. CONTENIDOS TEÓRICOS.- Het werkwoord zijn
- Het werkwoord hebben
- De directe vraagzin
- Het bijvoeglijk naamwoord (gebruik en plaats)
- De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
- De gebiedende wijs
- Het onbepaald lidwoord
- Zelfstandige naamwoorden
- Het modale hulpwerkwoord kunnen
- Het bepaald lidwoord
- Hoofd- en rangtelwoorden
- De ontkenning
- Bezittelijke voornaamwoorden
- Bijvoeglijk gebruik van bezittelijke voornaamwoorden
- Vragende bijwoorden
- Tijd en data
- De stellende trap bij een vergelijking
- De vergrotende trap bij een vergelijking
- Meervoudsvorming
- De spellingherziening
- Voorzetsels van plaats
- Het werkwoord houden van
- De constructie met van
- Verzelfstandiging van bijvoeglijke naamwoorden
- Het gebruik van hoofdletters
- De onvoltooid tegenwoordige tijd
- De voltooid tegenwoordige tijd
- Vragende voornaamwoorden
- Bijvoeglijk gebruik van vragende voornaamwoorden
- Wederkerige werkwoorden
- De persoonlijke voornaamwoorden
- De overtreffende trap bij een vergelijking
- Leeftijd
- Het gebruik van hen en hun
- Wederkerende werkwoorden
- Meervoudsvorming (onregelmatig)
- Aanwijzende voornaamwoorden
- Bijvoeglijk gebruik van aanwijzende voornaamwoorden
- Het modale hulpwerkwoord zullen
- De vorming van het voltooid deelwoord
- De voltooid verleden tijd
- Het gebruik van naamvallen
- Het modale hulpwerkwoord willen
- Het modale hulpwerkwoord mogen
- Het modale hulpwerkwoord moeten
- Nevenschikkende voegwoorden
- De onbepaalde wijs
- Samengestelde bijvoeglijke naamwoorden
- Zwakke werkwoorden
- Sterke werkwoorden
- Onregelmatige werkwoorden
- Werkwoorden met een onscheidbaar partikel
- Werkwoorden met een scheidbaar partikel
- Het verbindingsstreepje
- Woordvolgorde in een hoofdzin
- Woordvolgorde in een bijzin
- Het gebruik van zo n en zulk
- Het gebruik van de apostrof
- Tussenwerpsels
- Samentrekkingen
- Werkwoorden met een vast voorzetsel
- Betrekkelijke voornaamwoorden
- Uitheemse woorden
- De aanvoegende wijs
- De lijdende zinsvorm
- De tussenletter n
- Voorzetseluitdrukkingen
- De bijwoorden al , nog en pas
- Het werkwoord laten
- Het gebruik van de komma
- Het gebruik van er
- Voornaamwoordelijke bijwoorden
- Het werkwoord worden
- De onvoltooid verleden tijd
- De vervoeging van hebben en zijn (o.v.t.)
- Het werkwoord doen
- Gebruik van het trema
- Het beklemtonen van klinkers
- Onderschikkende voegwoorden
- Onpersoonlijke werkwoorden
- Onbepaalde voornaamwoorden
- Bijvoeglijk gebruik van onbepaalde voornaamwoorden
- Achterzetsels
- De onvoltooid verleden toekomende tijd
- De voltooid verleden toekomende tijd
- Het gebruik van te
- Onbepaalde hoofdtelwoorden
- Geld
- Verkleinwoorden
- Het tegenwoordig deelwoord
- Duratieve constructies
- De toekomende tijd met gaan
- De tussenletter s
- Verkleinwoorden (gebruik)
- De werkwoorden liggen , staan en zitten
- De buigings-s
MÓDULO 3. CONTENIDOS PRÁCTICOS. ACTIVIDADES PARA LA PRÁCTICA DE LOS CONOCIMIENTOS.TEMA 1. DIÁLOGO.TEMA 2. PRONUNCIACIÓN/FONÉTICA.- Pronunciación de frases.
- Pronunciación de palabras.
- Ejercicio de fonética.
TEMA 3. VÍDEO Y CUESTIONARIO.TEMA 4. EJERCICIOS.TEMA 5. EVALUACIÓN DEL APRENDIZAJE. TEMA 6. EXPLICACIONES GRAMATICALES.TEMA 7. HERRAMIENTA DE CONJUGACIÓN.TEMA 8. LÉXICO.TEMA 9. FICHAS CULTURALES. |
|
|
|
|